hotel faber 1895
De Hoogezandster Til met Hotel Hoogezand (meestal Hotel Roelfsema genoemd) op de achtergrond, anno 1895

VOORGESCHIEDENIS HOTEL FABER

De voorgeschiedenis van Hotel Faber gaat in feite vele eeuwen terug en wel naar het jaar 1726. Op 17 maart van dat jaar kocht een zekere ’Hugo ter Spill’ voor zegge en schrijve 1300 Carolusgulden van de koopman Peter Clasen de behuizing met heemstede en hof en 2 koeweiden aan de Hereweg, pal tegenover de Hoogezandsterbrug. De nieuwe eigenaar was afkomstig uit Den Haag en was in 1712 gehuwd met de Groningse boerendochter Jantje Boelema. Het pas aangekochte huis werd door het echtpaar betrokken en Ter Spill vestigde aldaar een herberg. Veel kapitaal was er echter niet, want de koopsom werd in 1727 geleend van de Groninger brouwer J. Vos. Zolang de koopsom niet was afbetaald moest Hugo ter Spill zijn bier betrekken van de befaamde Groninger ‘Kluin’.

Vaak werd het schuimend glas geheven onder de uitroep: ‘De Kluin is weer best’.

Ter Spill bleef 14 jaar kastelein en overleed in 1740. Zijn weduwe verkocht toen de zaak voor 1500 Carolusgulden aan Albertus Vos, de zoon van de geldverstrekker. Helaas was het een slechte tijd, de veepest ging hardnekkig rond en velde vele boerenbedrijven. Een insectenplaag deed de oogst totaal mislukken. Verscheidene boeren lieten in armoede hun land braak liggen. Vos had een achterstand in het betalen van de stads-, land- en heemhuren en werd voortdurend bezocht door de deurwaarder.

In 1763 kocht een zoon van de vroegere eigenaar, Jan ter Spill de herberg voor ruim 2000 Carolusgulden. De nieuwe eigenaar was destijds collecteur of schatbewaarder, beter gezegd ‘ontvanger der belastingen’. Vanaf dat moment heette de herberg “Het Posthuis” en lag aan de postroute van de stad Groningen naar Oost-Friesland. Enige keren per week werden hier de paarden voor de postkoets verwisseld. Even verderop woonde bij de Winkelhoek de postmeester Assuerus Johan Veldtman op de buitenplaats ‘Postrust’.

Jan ter Spill overleed op jeugdige leeftijd. Zijn weduwe Jantien Thomas hertrouwde met Hiskias de Jongh, met wie zij de herberg voortzette. Zij overleefde ook haar tweede man en trouwde in 1787 voor de derde keer, nu met een zekere Geert Planters. In 1806 nam haar zoon Thomas de Jongh, een kind uit het tweede huwelijk, de herberg van zijn moeder over. De oude herberg was inmiddels een bouwval, zodat de nieuwe eigenaar in 1806 een geheel nieuw logement bouwde.

In 1814 werd het te koop aangeboden. Het nieuwe logement bestond uit 4 kamers, een ruime kelder en boven 5 vertrekken. Verder nog een schuur, een zomerkeuken of washuis en stallen voor maar liefst 40 paarden. Achter de behuizing lag een fraai aangelegde tuin met een zomerhuis en daarachter 3 kampen prachtig groenland.

Het mocht zonder meer een Regthuis te Lande worden genoemd. De Richter van Sappemeerhad het logement in het midden van de 18e eeuw tevens een functie van ‘Regthuis’gegeven. In het verleden werden hier rechtszittingen gehouden door de ambtsman van het Goorecht, eveneens rechter in Sappemeer. Hij werd aangesteld door het stadsbestuur van Groningen. In 1803 was het Scato Gockinga, die vanuit ‘ ’t Regthuis op ’t Hoogezant’ de zittingen hield. Hij werd bijgestaan door secretaris Wiardus Hora Siccama en twee klerken.

Het was een harde tijd. Als er iemand ter dood werd veroordeeld, stond de galg maar enkele passen verwijderd van het Regthuis, op de oude Hoogezandster begraafplaats. Zo vlak aan de weg trok het veel publiek, want de terechtstellingen gebeurden in het openbaar en werden beschouwd als volksvermaak. De veroordeelden werden eerst ingesloten in één van de gevangeniscellen in de schuur. Eén van deze hokken werd ‘het Rozendal’  genoemd en diende voor kortdurende opsluiting van lichtgestraften. De cellen werden bewaakt door de kastelein. Voor huur en zijn diensten als cipier kreeg hij het schamele bedrag van 150 gulden per jaar.

Niet alleen het recht werd gehandhaafd, ook de vroede vaderen beslisten er, gezeten achter een roemer wijn, over het wel en wee van hun gemeentenaren. Op 11 november 1808 in de ‘Franse tijd’, vond in de aloude herberg ‘Het Posthuis’ de eerste vergadering plaats van de nieuwe gemeenteraad van Hoogezand. De 5 heren werden plechtig geïnstalleerd door de drost van het kwartier Groningen.

Voor 100 gulden per jaar werden vergaderlokaal en een aparte kamer voor de secretaris gehuurd en ingericht. Het vuur en het licht was vrij.

Het nieuwe gemeentebestuur kreeg steeds meer taken overgedragen van de Rechtbank in Groningen. Op 28 februari 1811 werd derhalve het vredesgericht – een lokale rechtbank, het latere kantongerecht – geïnstalleerd in het Posthuis en Rechthuis te Hoogezand.

In 1815 werd het logement verkocht voor 10.000 guldens aan Jan Duurts van Dijken. In 1823 herbergde Het Posthuis twee beroemde Nederlanders, schrijver Jacob van Lennep met zijn metgezel Dirk van Hogendorp, zoon van de staatsman Gijsbert Karel. Zij maakten een voetreis door Nederland. In zijn dagboek, dat van Lennep bijhield, schreef hij op vrijdag 27 juni van dat jaar:

‘Te zeven ure kwamen wij aan in de herberg Het Posthuis aan ’t Hoogezant, de hoofdplaats van Goorecht. Ook hier zijn aan weerskanten van het diep sierlijke huizen, tuinen, plaatsen, timmerwerven en allerlei soorten molens. Na thee gedronken te hebben, wandelden wij bij heerlijk weder naar het bosch van de heer Hora Siccama. Hier hadden wij zeer romantieke en liefelijke oogpunten. Ten negen ure keerden wij en sliepen zeer goed in de ruime vertrekken.’

Op 1 Augustus 1821 werd de eerste vergadering gehouden in het “Regthuis” van de nieuwe raad van de gemeenten Hoogezand en Windeweer, die toen werden samengevoegd.

Na 15 jaar kastelein te zijn geweest, droeg Van Dijken in 1830 het logement over aan Harm Jans Nieboer. In deze tijd begon de opbloei van Hoogezand en Sappemeer, de eerste industriële fase van de Veenkoloniën met vele olie- en houtzaagmolens, kalkbranderijen, leerlooierijen en touwslagerijen. Er was één en al bedrijvigheid in het dorp. Ook de houten scheepsbouw kwam tot grote bloei. De leden van het zeemanscollege De Vooruitgang vierden uitbundige feesten tijdens de winters, die ze aan wal doorbrachten. De kleuren van de verenigingsvlag, blauw en rood zijn nu verwerkt in de gemeentevlag van Hoogezand-Sappemeer.

Na 22 jaar ging de inmiddels goed renderende zaak over in handen van Kornelis Jacobs Neven. Het waren gouden tijden voor de herberg. Vele verenigingen hielden er de feestelijke bijeenkomsten evenals de redrijkamer Tollens en de herensociëteit ‘De Harmonie’. Veelal opgeluisterd met vermaarde militaire orkesten zoals de Emder Capelle. Ook toneelverenigingen van grootse kostuumstukken verlicht door groen en rood Bengaals vuur trokken veel belangstelling.

In 1870 werd het logement voor 17.700 gulden verkocht aan Jan Hendrik Roelfsema. Al in 1867 verviel de functie van posthuis; dit werd ondergebracht in het pand van de Rijksontvanger, naast het logement en later in een verderop gelegen ‘Post- en Telegraafkantoor’.

In 1879 verdween de naam Het Regthuis van de gevel. De rechtszittingen van het inmiddels in kantongerecht veranderde vredegerecht werden overgeplaatst naar Zuidbroek. In 1887 werd een nieuw gemeentehuis gebouwd in Hoogezand.